De laatste dobbelsteen

(Column Paravisie 2001)

Ik speel een spel tot en met de laatste dobbelsteen.


Toen dan ook mijn dienstverband met mijn werkgever was verbroken, vond ik, na de wanprestatie die het bedrijf ten opzichte van mij had geleverd, dat de stenen nog eenmaal moesten worden geworpen.
En dat het mijn beurt was om te gooien.


Ik schreef een brief aan de hoofddirectie in Amsterdam, waarin ik beschreef hoe het voelt om als mens als een economisch object zonder waarde te worden behandeld.
Mijn woorden raakten doel: drie weken later werd ik uitgenodigd voor een afscheidslunch met een lid van de Raad van Bestuur. Met deze man had ik zo’n tien jaar geleden kort samengewerkt.
Hij had een bliksemcarrière gemaakt, terwijl ik me had verdiept in het mens zijn.


E 9,95
Iemand en Niemand



We troffen elkaar, mijn man was er ook bij, op een zachte, zonnige middag in april in een hotel in Leeuwarden.
Tot mijn genoegen trof ik geen man aan, die werd omkleed door het aureool van zijn functie, maar een mens die wilde luisteren en probeerde ‘lessen te trekken voor de toekomst’.


Hij had zijn huiswerk goed gedaan en vertelde me, dat iedereen die hij had gesproken met betrekking tot mijn dossier, had gezegd dat de procedures inderdaad niet goed waren gevolgd, en dat het nooit de bedoeling was geweest om mij zo te behandelen.
De richtlijnen op papier waren duidelijk, maar het blijven altijd mensen die ze moeten uitvoeren.
En daar was het niet goed gegaan door misverstanden, persoonlijke omstandigheden, organisatorische problemen etc. Als ik met betrekking tot mijn verwerkingsproces nog met mensen wilde spreken, wilde hij mij daar alle ruimte voor geven.
“Dat zijn we wel aan je verschuldigd”, zei hij.


Op mijn beurt probeerde ik hem te laten kijken naar de drie niveau’s in mijn verhaal.
In de eerste plaats was daar natuurlijk mijn eigen pijn en gekwetstheid.
De belangrijkste reden dat ik de brief had geschreven was om mijn eigen gevoelens een plaats te kunnen geven en alle vervelende gebeurtenissen achter me te kunnen laten.
Voor alle duidelijkheid: mijn ex-werkgever kan mij niet ongelukkig maken, dat kan ik alleen mezelf door me te blijven wentelen in slachtofferschap. En dat ben ik niet van plan.


In de tweede plaats toonde ik hem de achterkant van het bedrijfsleven, en uit ervaring weet ik dat het geen pretje is om daar te vertoeven.
Als je tot de categorie ‘langdurig ziek’ behoort, lijkt het wel of alle maskers bij het bedrijfsleven wegvallen.
Het gepretendeerde sociale gezicht van een bedrijf bestaat voor die groep niet.
Ik heb me in dat traject als het ware ontmenselijkt gevoeld: het sluitstuk van een volle agenda, iemand waar je tijd aan moet besteden, maar waar niets meer uit te halen valt, niet meer de moeite waard om mee te communiceren.



E 18,95
De anti-huftermethode



Er is mij, door de wijze waarop ik ben behandeld, emotionele schade toegebracht en ik hoef niemand uit te leggen dat zoiets een herstelproces niet bevorderd.
Vier telefoontjes, twee kaartjes en een bosje bloemen, en alle leed had kunnen worden voorkomen.
In plaats daarvan verging mij zelfs de lust om met een uitgestreken gezicht op een afscheidsreceptie te staan.


Ook legde ik uit, dat in bedrijven niet alleen gewerkt wordt, maar dat het ook plaatsen zijn waar, door de hiërarchische structuur, ego’s worden gecultiveerd.
Sommige mensen zijn zo volgezogen met hun eigen belangrijkheid, dat ze met enorme blinde vlekken rondlopen voor waar in het leven werkelijk over gaat.


En in de derde plaats was daar het niveau van onze samenleving.
Onze maatschappij is dol op winnaars.
Ondanks veel mooie woorden laten we ons sociaal gezien weinig gelegen liggen aan zieke en zwakke mensen.
We raken zo vervlochten met onze oppervlakkige, materialistische leefstructuur, dat we amper meer weten hoe we oprecht medeleven met iemand moeten voelen en uiten.
Iedereen is bezig met het boeken van zijn vakantie, of het uitzoeken van een nieuwe keuken.
Geen tijd, geen tijd…..



11 september bracht een schokgolf teweeg in de wereld.
Hoe velen hebben er echter bij stilgestaan dat bijna iedereen in zijn dagelijks leven wel iemand kent die zijn of haar ‘ground zero’ in het leven is tegengekomen, door een zware ziekte, of het verlies van een dierbare?
En hoe vaak lopen we dan door en denken hooguit:”Ik ben blij dat het mij niet overkomt”?


Dat alles vertelde ik aan het lid van de Raad van Bestuur en mijn verhaal had een korte, duidelijke strekking: ik wil als mens niet zo behandeld worden.
Ik niet, en al die duizenden in dit land, die soortgelijke ervaringen in het bedrijfsleven hebben, ook niet.


Hij heeft naar me geluisterd. Mogen mijn woorden zijn hart geraakt hebben.


Home